De bal is een goed begin

De bal is een goed begin
1e plaats schrijfwedstrijd van Beginzinnenwedstrijd!


Die bal is een goed begin
Zo’n bal is een goed begin, dacht hij en gooide hem met een boogje door de ruit van het oude, vervallen herenhuis. Ja, dat is zeker een goed begin dacht hij tevreden, terwijl hij op zijn dooie gemakje naar zijn witte bestelbus liep.
Even later trok hij aan de antieke koperen bel. Het geluid schalde door de lange gang en verraadde een marmeren vloer. Dit was het juiste adres. Zijn baseballpet zat omgedraaid op zijn hoofd en drukte zijn blonde krullen tot ver over zijn bruine ogen. Fluitend keek hij om zich heen. De lange laan was compleet verlaten. Zijn geparkeerde busje was het meest spannende object in de hele straat. Hij had niet eens de moeite genomen om hem af te sluiten.
Het duurde een minuutje of twee voor ze open deed. Hij had de tijd. In de tussentijd keek hij rond: rotte gevels, bladderend houtwerk en een verwaarloosde tuin. En dat was het resultaat van de eerste oppervlakkige inspectie.
Hij hoorde hoe ze 24 sloten ontgrendelde. Tergend langzaam opende de zware eikenhouten deur tot op een kiertje. Het ijzeren kettinkje had ze er voor de zekerheid opgelaten. Een oud gerimpeld hoofd werd zichtbaar door opening van de deur, die ook wel een verfje kon gebruiken.
‘Dag mevrouw, ik ben de klusjesman. Ik maak alles heel wat kapot is. Ik kan veel en kost een beetje.’
Lichtgrijze ogen keken hem spiedend aan. ‘Kaartje!’ gebood ze.

» meer


Hij overhandigde haar een visitekaartje die hij die ochtend bij de Hema had laten drukken. ‘Ik ben Janneman de klusjesman en draai alle losse schroefen voor u an,’ stond er in rode letters op te lezen.
Het rijmde niet echt mooi, maar letters waren dan ook niet aan hem besteed. Zijn ogen zagen alles en zijn hoofd vond meteen een oplossing voor ieder praktisch probleem, maar letters dansten in zijn hoofd zonder een vast plekje te kunnen vinden. Op zijn vijftiende had zijn vader hem dan ook van school gehaald en niemand had de onderwijsinspectie ingelicht. Iedereen vond het beter zo. Hij ook.
Een prachtige tijd was daarna aangebroken. Met zijn vader had hij alle klusjes in de villawijken van de dure mensen uit de stad geklaard. Zijn vader zong en hij floot ieder deuntje gezellig mee. In de winter verfden ze de kozijnen van de opkamers, tijdens het voorjaar verhuurden ze zich als tuinmannen en in de zomer verfden ze alle kozijnen met glanzende verf. Het meest van alle jaargetijden genoot hij van de herfst. Hij maakte de tuinen winterklaar terwijl zijn vader de goten schoonveegde en de losse dakpannen repareerde. Zijn vader zong vanaf het dak en hij floot de tonen met hem mee. Het hele jaar hadden ze volop werk gehad. Tot die fatale dag.

Vandaag stond hij voor de deur van de oude vrouw die nog steeds zijn kaartje bestudeerde. Geduldig wachtte hij haar reactie af. Ze bekeek het goedkope kaartje van alle kanten en rook er zelfs even aan. Haar scherpe oogjes keken spiedend naar de rode letters. ‘Wat kost dat?’
‘Twintig euro per uur, mevrouw.’
‘Vijftien.’
‘Achttien mevrouw, ik moet ook leven.’
De deur werd met een klap dichtgesmeten. Hij hoorde hoe ze het schuifje van het slot haalde. ‘M’n ruit is kapot. Die rotjongens van de buren waren weer bezig. Hun pa moet hiervoor boeten. Maak maar een gepeperde rekening van het raam en dan krijg je voor dat bedrag nog een extra klusje.’
Gierpin, dacht hij, draaide zich om en ging zijn spullen halen.
De weken die volgden bleef hij bij de oude vrouw en repareerde alle losse ramen en schroeven van het vervallen huis. Vroeg in de ochtend kwam hij en om klokslag vijf uur gaf ze hem honderd en vijftig euro voor 8,5 uur werk. Drie euro te weinig. Iedere dag opnieuw.
Dagelijks deed hij of hij het niet merkte en zij voerde iedere dag haar ‘ik ben oud en een beetje dementerend-act’ op. Hij wist wel beter. Het rotmens ontging niks. Ieder sigaretje dat hij rookte, trok ze van zijn pauze af en iedere plasje werd geregistreerd. Hij piste nu zonder uitzondering in de bosjes. Ze wist het en hij wist dat zij dat wist, maar het kon hem niks schelen. Moest ze die drie euro maar betalen. Rotmens.
Het was lente geweest toen hij de bal door haar ruit had gegooid en de zomer was overgegaan in de herfst. Hij maakte de tuin winterklaar, snoeide de planten en harkte alle bladeren voor haar weg.
Op een dag spraken ze hooguit tien woorden met elkaar. Vandaag was een uitzondering en vond er bijna een gesprek plaats.
‘Maak de goten voor me leeg,’ zei ze.’De goot moet gerepareerd worden, mevrouw, hij is vergaan.’
‘Ik betaal je alleen nog voor het schoonmaken en dan opgehoepeld,’ was haar antwoord.
‘Daar komen ongelukken van,’ zei hij met zijn bruine ogen strak op haar gerimpelde lippen gericht. Langzaam plooiden de dunne lippen zich tot een glimlach. Ze lachte hem uit. De glimlach werd een volle lach vanachter uit haar keel. Een hoog snerpend geluid was het. Nog schuddend van het lachen draaide ze zich om alsof ze wist dat hij de goot zou repareren en daarna ontdoen van alle bladeren. Het was al vier uur. Dit redde hij nooit in een uurtje en meer dan honderd en vijftig euro hoefde hij niet te verwachten.
Hij pakte zijn ladder en liep met tegenzin naar de verrotte goot. Fluitend begon hij aan het vieze werkje. Het was al jaren geleden dat hij zich gerealiseerd had dat zijn gefluit niks met zijn gemoedstoestand te maken had. Hij floot als hij werkte, zo simpel was het.
Hij gooide de bladeren op de grond en repareerde de goot die geen regenbui meer tegen zou houden. Hij floot zo hard dat hij eerst niet in de gaten had dat ze onderaan de ladder stond. Hij merkte het eigenlijk pas toen ze zo hard aan de ladder stond te trekken dat hij zich aan de goot moest vasthouden om niet naar beneden te vallen.
‘Hou op, rotmens,’ riep hij.
‘Dacht ik je dat ik je niet herkend had, met dat valse gefluit van je?’ Ze lachte luid, hetzelfde snerpende geluid van daarnet, hetzelfde geluid dat hem iedere nacht in zijn dromen achtervolgde, vlak voordat hij gillend wakker werd.
Zelfs Loes was bij hem weggegaan. ‘Ik wil slapen ’s nachts, ik wor gek van dat gegil van je.’ En weg was ze. Net als zijn vader.
Maar die was dood. Drie jaar geleden was het alweer. Van deze goot gevallen toen hij de bladeren wegveegde. De goot was drie jaar geleden ook al verrot geweest. Hij was er met zijn voet zo doorheen gestapt, had zijn evenwicht verloren en was naar beneden gedonderd. Dood, morsdood was ie.
Ze had niets gezegd, geen sorry, niks nada niks niet.
Hij had hem begraven. Zijn moeder was allang dood dus vanaf dat moment was hij wees. Toen Loes ook weg ging, was hij helemaal alleen. Alleen met zijn haat.
De dokter zei dat hij het moest loslaten, dat het een ongeluk was, maar hij wist beter:
Iedere dag had ze zijn vader en hem te weinig betaald. Zes euro, iedere dag. Zijn vader besloot dat ze er recht op hadden en nam iedere dag iets mee uit het grote huis. Eerst kleine prulletjes, daarna het zilverwerk en tenslotte had hij zijn zinnen op het geld gezet. Dat verstopte de oude gierpin overal in het huis. Die zes euro kregen ze dubbel en dwars uitbetaald.
En toen viel zijn vader van de goot. Als hij het raam niet met eigen ogen dicht had zien klappen en haar scherpe lach had gehoord, had ook hij gedacht dat het een ongeluk was geweest. Hij wist niet hoe het enge mens het had gedaan, maar het was haar schuld. Daar was hij van doordrongen.

Nu was hij aan de beurt. Hij hing daar en zij stond onderaan de goot te lachen. Een naar schel geluid.
Lang zouden zijn armen het niet meer houden en hij overwoog zijn mogelijkheden. Zijn hoofd zag altijd een praktische oplossing. Met zijn laatste kracht zwaaide met zijn benen en landde boven op het oude mens die alle botten in haar lichaam brak. Ze opende haar ogen en keek hem scherp aan. ‘Ik haat fluiters, getuigt van een zwak karakter,’ lispelde ze. Ze miste twee tanden. Bloed stroomde uit haar neus. Hij deed zijn hand op haar mond tot ze ophield met ademhalen.
Daarna belde hij 112.

Met vierentwintig gebroken botten was het een geluk dat hij het had overleefd. De oude vrouw had zijn val gebroken en had dit helaas niet overleefd. Met zijn bewusteloze lichaam had hij haar helaas verstikt. Hij herstelde wonderbaarlijk snel. Fluitend liep hij naar zijn busje en controleerde of haar geld er nog in lag. Genoeg om nooit meer te hoeven werken. Hij reed naar Loes, want gillen, nee dat zou hij nooit meer.

» minder